dwarsliggers

Dwarsliggers ... noodzakelijk om het rechte spoor te houden
lees meer over onze filosofie

Anders gaan Leven 'AGALEV'

Mark DubrulleMedestichter Mark Dubrulle vertelt over de eerste jaren van een beweging die vandaag bevoegd is voor het groene beleid van VIVALDI.

Voor de publicatie van de “Boeiende gesprekken aan de koffietafel met Mark Dubrulle” vertelde hij de geschiedenis van AGALEV van toen hij mede aan de wieg stond. Ik vond het heel interessant maar te lang voor ons gesprek en we besloten samen om er een afzonderlijk artikel aan te wijden.

Pjotr

Als inleidende vraag iets over uw grote inzet: Als medestichter van de Groene Partij Agalev, Anders Gaan Leven, kreeg uw maatschappelijke inzet ook een politieke kleur. Hoe kijkt u op deze beginperiode terug en waarom werd uw werk als ‘influenzer’ belangrijker dan uw (partij)politiek engagement?

Mark:

Agalev was nog geen partij toen de eerste rechtstreekse Europese verkiezingen in juli 1979 uitgeschreven werden. De beweging “Anders Gaan Leven”, gesticht en bezield door Luc Versteylen S.J., had wel aan gemeenteraadsverkiezingen in het Antwerpse deel, genomen. Luc vond dat opkomen met een eigen lijst zinvol zou zijn. Maar er was geen programma. Ik had, als Nationaal Secretaris van de Bond Beter Leefmilieu/Inter-environnement., een aantal manifestaties met Luc mede georganiseerd. Ik kon mij terugvinden in zijn waarden: Stilte, Soberheid, Samenhorigheid. Hij had een paar B.V.’s aangesproken om een lijst te trekken, maar niemand ging daarop in. Binnen de denktank Ecoropa (Ecologica Europa) had ik meegewerkt aan een “Manifest voor Ander Europa” in verschillende talen, waaronder het Nederlands. Bedoeling was het manifest te laten ondertekenen door politieke kandidaten voor het Europees Parlement in de toen zes EU-staten. Ik zorgde voor de verspreiding in België. De respons was bedroevend: in Vlaanderen enkel een VU-parlementslid, in Wallonië een paar, waaronder Paul-Henri Gendebien, toenmalig boegbeeld van het Rassemblement Wallon.  

Het kon niet dat België het groeiende milieubewustzijn als een politieke “issue” in de kiesprogramma’s niet zou vertolken, noch een “groene” kandidaat zou kunnen voordragen terwijl er in Duitsland, Frankrijk en Italië wel ecologische partijen opkwamen. Ik zocht steun bij vrienden in onze milieubeweging, maar vond geen belangstelling, eerder tegenwerking. De beweging moest en zou apolitiek blijven. Dat vond ik ook, maar een beweging kan wel de voedingsbodem vormen voor een partij. De socialistische partij, bij voorbeeld, is grotendeels ontsproten uit de arbeidersbeweging.

Ik nam de draad weer op met Luc Versteylen. Ik zou lijsttrekker worden en een ontwerpprogramma opstellen, gebaseerd op het Ecoropa Manifest. Luc zou kandidaten zoeken in zijn netwerk. We moesten bovendien 5.000 handtekeningen van kiesgerechtigde burgers verzamelen om een geldige lijst bij de regering neer te leggen. Ik nam politiek verlof van de B.B.L./I.E., zeer tegen de zin van mijn Raad van bestuur.

In maart 1979 hielden wij, de eerste politieke groenen een druk gevolgde persconferentie in het Europees perscentrum I.P.C samen met Die Grünen (D), Europe Ecologie (F), The Ecology Party (GB) en de Partito Radicale (I). Een paar dagen later werd ik geïnterviewd door The Bulletin, het leidinggevende Engelstalig weekblad in Brussel. Mijn foto prijkte op de voorpagina met de titel “The Green Man”: de doorbraak van de ecologisten op het politieke toneel.

Agalev, die geen echte campagne had kunnen voeren, bereikte niettemin 2,3%  van de stemmen. Ik telde ongeveer10.000 voorkeurstemmen. In de zeer vroege ochtend na de verkiezingsdag kreeg ik een telefoontje van Tuur Van Wallendaele: of ik naar de BRT-studio kon komen. Daar trof ik de kopstukken van het Belgische politieke establishment aan: Leo Tindemans, CVP, de man met 1 miljoen stemmen; Willy De Clercq, PVV; Karel Van Miert, SP en Louis Van Geyt, KP/PC (de communisten hadden toen nog een nationale partij).

Willy, vriend en Gentenaar als ik, betreurde dat ik niet op zijn lijst had willen staan. Karel was zeer hartelijk en spoorde mij aan om bij de SP aan te sluiten. Louis zag een toekomst voor de groenen als zij bij de roden zouden aansluiten. Leo schudde mij de hand, maar gaf geen commentaar.

Binnenskamers bij Agalev was de discussie achteraf: wat doen we met ons succes? Partij worden of niet? De meningen waren verdeeld. De meerderheid, inclusief Luk Versteylen – morele leider – was voor partijvorming, maar het moest “anders” zijn. Geen voorzitter, geen boegbeelden, geen vaste structuur. Samen met Ludo Dierickx en Mon Steyaert probeerde ik een minimale organisatie op poten te zetten. Het bleef bij een Dagelijks bestuur met enkele leidinggevende figuren en een Algemene Raad. Iedereen die ons 10 punten programma onderschreef – of zulks beweerde – kon aansluiten. De bijeenkomsten (het woord ‘vergadering’ was taboe) waren meestal open en zowat elke aanwezige kon mede beslissen. De enige officiële functie was Secretaris van het Dagelijks Bestuur en werd door mij bijna twee jaar lang onbezoldigd vervuld.

Na mijn politiek verlof dacht ik mijn functie in B.B.L./I.E. opnieuw te kunnen opnemen. De Raad van bestuur zag dat niet zitten, nu ik een politieke kleur droeg. Bovendien waren de gewestelijke federaties autonoom geworden en zag men geen heil meer in een nationale koepel. De functie van Nationaal Secretaris werd afgeschaft, zoals enkele jaren voordien ook de Nationale president vervangen was door een college van de vier gewestelijke voorzitters.

Gezien mij geen professionele of deontologische fout kon worden verweten mocht ik niet ontslagen worden. Met advocaten werd toen een dading opgesteld waarbij ik mijn functie neerlegde met een compenserend bedrag van 1,4 miljoen BF. Het geld was er niet. Luc Dhoore, minister van Volksgezondheid en Milieu, had een subsidie van 10 miljoen BF beloofd, maar op het kernkabinet kwam daar een veto tegen van premier Wilfried Martens “omdat Dubrulle een politiek concurrent was”.

Ik moest dus naar “den dop”, elk dag op een verschillend uur gaan stempelen voor een bedrag dat viermaal lager lag dan mijn laatste loon. Mijn echtgenote moest noodgedwongen een betaalde job vinden, die ze snel vond dankzij haar drietaligheid. Ik werd voltijds huisvader, maar besteedde veel tijd aan Agalev. De jonge partij evolueerde chaotisch. Luk Versteylen bleef de goeroe achter de schermen. Hij drukte zijn pastorale stempel op de leden, waarvan velen een christelijke achtergrond hadden. Een aantal kwam uit feministische en pacifistische bewegingen, meestal vrij radicaal.

Intussen was er een politiek secretaris benoemd, Leo Cox, een Nederlandse ideoloog die in zijn land een rol had gespeeld in de PvdA.

Binnen het Dagelijks bestuur was er meer en meer spanning tussen de “realo’s” en de “fundi’s”. De eerste groep vond dat je de politieke wetmatigheden moest volgen om aan ‘s lands beleid deel te nemen., dus de spelregels volgen. De tweede vond dat maar niets. De groenen moesten radicaler zijn en breken met de spelregels. “We moeten de macht nemen om het weer aan het volk te geven” luidde het. Ik was libertair, maar werd liberaal bestempeld en behorend tot het establishment.

Toen ik na ruim een jaar werkloosheid noodgedwongen een job aanvaardde als directeur – en spoedig daarna als CEO – van Hill and Knowlton International Belgium, toen het grootste PR/ Public Affairs in de wereld, werd ik meteen binnen Agalev verketterd. In een interview in Knack zei Leo Cox dat ik “…de consumptiemachine in een grootschalig reclamebureau (sic) draaiende hield.”

Enige tijd later vernam ik via het radionieuws dat de partij Agalev mij uitgesloten had. Een beslissing zonder proces in mijn aanwezigheid, zonder schriftelijke mededeling. Motivering: voor de gemeenteraadsverkiezingen stonden een ex SP en een ex FDF-gemeenteraadslid op mijn Agalev lijst nr.16 in Tervuren. Ik veranderde de naam prompt in “Groen”. We behaalden vrij veel stemmen en ik werd lid van de gemeenteraad. Jaren later zei Jos Geysels, bezoldigd Politiek Secretaris en Vlaams Parlementslid, dat ik nooit echt uit de partij was gezet. Agalev werd Groen. Er kwamen structuren en organisatie, boegbeelden, met foto’s en persoonlijke interviews, wat destijds niet mocht. Daar kwam verandering in. Bekwame vrouwen en mannen betrokken sleutelposities, werden politici. Parlementsleden, senatoren, ministers zoals o.m. Magda Aelvoet, Ludo Dierickx, Wilfried Van Durme, Hugo Van Dienderen, Mieke Vogels. Deskundige voorzitters, politieke secretarissen, woordvoerders zoals Johan Malcorps, Dirk Holemans, Jos Geysels…

Het was mij duidelijk dat politiek niet aan mij besteed was en dat ik wellicht meer voor mens en milieu kon doen als “influenzer”. Als milieuconsulent, gespecialiseerd in “environmental conflict resolution” kon ik een nuttige rol spelen in een aantal conflicten tussen bedrijven en burgerinitiatieven of milieuorganisaties. In de jaren ’90 faciliteerde ik een aantal projecten van de EU Commissie op het vlak van beter beheer van afvalstromen, met opdrachten in Frankrijk, Italië, Groot-Brittannië en Ierland. Privé bleef ik actief in de denktank Ecoropa en vanaf 2003 in de Club van Rome.

Het verhaal over het ontstaan, de zin en de rol van Agalev werd objectief neergepend in het boek “Tussen Droom en Daad” (1991, De Ploeg en De Nederlandsche Boekhandel.) Prof. Stefan Walgrave, hoogleraar Politieke Wetenschappen aan de Universiteit Antwerpen, die zijn thesis aan Agalev gewijd had, besluit de publicatie met een scherpe sociologische analyse. Het lezen waard.

 

Met dank aan Mark Dubrulle