Ordoliberalisme, de Duitse versie van het vrijemarktkapitalisme

Walter Eucken2De recente dood van gewezen minister van Financiën Wolfgang Schäuble herinnerde ons eraan dat in Duitsland het Constitutionele Hof onlangs nog  de grondwetsherziening van 2009 bevestigde, waarin het budgettaire deficit de 0,35% van BBP niet mag overschrijden. Jammer dat dergelijke beperking niet de Belgische Grondwet staat.

Een huwelijk tussen praktische economische kennis en fundamenteel denken.

In 2015 verwierpen de Grieken in een referendum de voorwaarden die door drie internationale instellingen waren opgelegd als quid pro quo voor nieuwe leningen. Het ging om het derde Griekse bailoutpakket tijdens de eurocrisis (2009-2018). Met spanningen, vooral tussen Duitsland (Wolfgang Schäuble) en Griekenland (Yanis Varoufakis.)  

Grieks versus Duits beleidsmodel

In het Griekse model beschikt de volkswil en de verkozene over een grote latitude om te beslissen  – vandaag dit en morgen dat – los van de financiële gevolgen. In het Duitse model zijn beslissingen van de overheid begrensd door een vooraf bepaald  kader dat niet kan worden gewijzigd door gewone meerderheden.

Eerste minister Alexis Tsipras (2015-2019) had tot dit referendum besloten. Maar hij blufte en verloor. Giekenland bleef in de euro. En het nieuwe pakket dat uiteindelijk werd opgelegd door de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het Internationaal Monetair Fonds was nadeliger dan wat door het referendum werd verworpen. De Griekse crisis was van eigen makelij: een orgie aan ontleningen om aan drukkingsgroepen speciale statuten of privilegies toe te kennen voor electoraal gewin. Dit in een klimaat van endemische corruptie, zoals door eerste minister Giorgos Papandreou werd opgebiecht tijdens een Europese raad in 2009.

Freiburgs Ordoliberalisme

Zoals in het Angelsaksisch economisch liberalisme primeert in het Duitse model het vrije marktkapitalisme. Maar het Duitse kader omvat een ordeningspolitiek (“Ordnungspolitik”): de overheid organiseert het kader waarbinnen de vrije markt speelt en dwingt die regels af. Vandaar de term Ordoliberalisme. De grondlegger was de historicus en economist Walter Eucken (1891-1950) van de Universiteit van Freiburg, samen met zijn collega jurist Franz Böhm (1895-1977). Vanaf de late jaren 1920 reageerden ze daarmee op het gebrek aan mededinging tijdens het Keizerrijk (1871-1918) en de Weimarrepubliek (1919-1933).

 

Walter Eucken2

Wikimedia : Walter Eucken

Die “School van Freiburg” bleef evolueren, en kreeg nieuwe adepten, zowel tijdens de Nazi periode als tot midden jaren 60. Zij waren gericht op het praktisch maatschappelijke. Niet op theoretische abstracties. De best gekende was Ludwig Erhard (1897-1977), minister van economie (1949 -1963) onder Konrad Adenauer, en daarna kanselier (1963-1966). Hij belichaamde het naoorlogse “Wirtschaftwunder”.  

Pijlers van de Ordnungspolitik zijn de bevordering van mededinging, de Staat als arbiter en geen medespeler, het primaat van de monetaire politiek, de verwerping van een activistische conjunctuurpolitiek, een afkeer van het gelijkheidsideaal, en christelijke waarden als grondslag voor correcties op de vrije markt.

Ordening van de concurrentie

Om zo laag mogelijke prijzen te bevorderen moet een vrije markt een verdeling van macht garanderen. Het is niet voldoende concurrentie te belijden, men moet daarvoor het institutionele kader scheppen. Of, een mededingingsbeleid dat kartelvorming verhindert. En de regels van dat kader moeten worden afgedwongen, zoals o.m. privé eigendom, aansprakelijkheid, contractnaleving, ondernemingsvrijheid,  patenten, met de Staat als regelbewaker en niet als medespeler. Dat vereist een sterke, maar niet noodzakelijk omvangrijke, Staat.        

De aanleiding was de ontgoocheling met de Weimarrepubliek (1919-1933): compromisbereidheid en machteloosheid tegen lobbyisme wat leidde tot machtsconcentraties.

Primaat van de geldpolitiek

Het geldwezen moet onttrokken worden aan de druk van politiek en publieke opinie. Anders, aldus Eucken, overheersen de onwetendheid en de drang om drukkingsgroepen en publieke opinie te behagen. Het geldwezen moet enkel borg staan voor een stabiele munt, of geen inflatie. Voor andere doeleinden dienen andere instrumenten.

Dit in tegenstelling tot de VSA waar ook tewerkstelling een doel van monetaire politiek is. Lang geloofden vele Angelsaksische economisten – de Keynesianen - dat een expansiever geldbeleid met lagere rentes de werkgelegenheid kon bevorderen. In de korte termijn, ja. Maar niet blijvend. Op lange termijn dreigt een negatief netto resultaat: geen blijvende hogere tewerkstellingsgraad, maar hogere inflatie en groeiende inflatieverwachtingen die de toekomst hypothekeren.

Zoals de marktordening dient de monetaire politiek zo automatisch mogelijk te zijn. Regels en geen discretionair beleid – nu dit en dan dat volgens de analyse van de dag. De Duitse centrale bank, de “Bundesbank”, heeft tussen haar ontstaan in 1949 en haar opdoeking bij de invoering van de euro in 1999 dit ideaal geïncarneerd. Met quasi perfectie zoals erkend door zowel de monetaire deskundigen in de wereld als door de Duitse publieke opinie. Het recente “Quantitative Easing” (QE) beleid van meerdere centrale banken staat daar lijnrecht tegenover. Met als gevolg torenhoge schulden en inflatie, vooral activa-inflatie.                                                                                                                                                                    

Geen activistische conjunctuurpolitiek

Systematisch interveniëren bij sputteren van de economie wordt afgewezen. Het bewustzijn leeft dat de kennis van de economie en haar werking beperkt is, welke modellen ook beschikbaar zijn. Gradueel handelen geniet de voorkeur. Er is twijfel over een uitbreiding van de overheidssector om de volledige tewerkstelling te bereiken. Budgettair evenwicht is een constante bezorgdheid. Zo het amendement van 2009 op de grondwet dat het deficit beperkt tot 0,35 % van het BBP over een volledige cyclus van hoog-en laagconjunctuur, tenzij in noodsituaties.                                                                                

Verwerping van het gelijkheidsideaal

De mens staat centraal. Gelijkwaardigheid en gelijkheid voor de wet waren toen reeds verworvenheden. Maar gelijkheid in de zin van “égalité” van de Franse revolutie wezen ze af. Alexander Rüstow (1885-1963) bestempelde algemene maatschappelijke gelijkheid als een dwaling. Want dat zorgt voor een “race to the bottom”. De ordoliberale marktordening droeg bij tot meer gelijkheid van kansen en dat bevorderde sociale mobiliteit en meritocratie. Maar de absolute gelijkheid van kansen beschouwden ze als een illusie – want o.m. intelligentie, karakter en gezondheid verschillen.

Christelijke wortels

Een fusie van Ordoliberalisme met christelijke waarden werd bepleit door Alfred Müller-Armack (1901-1978). De sociale zekerheid die reeds, en voor het eerst, door Bismarck werd ingesteld (1883-1889) dient de uitkomsten van de vrije markt bij te sturen. De term “Soziale Marktwirtschaft” is van hem. Alle Freiburgers waren christelijk-geïnspireerd, maar hun invulling van het sociale verschilde.  

Het gedachtengoed van de Ordoliberalen werd bevestigd door de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) die in 1959 in Bad Godesberg bij meerderheid het privé bezit, de vrije markt en een beperkte overheid als onmiskenbare baten erkenden. Een ideeënleer die haar ontegensprekelijke superioriteit heeft bewezen en daarom moet worden gekoesterd.                                                                    

 

Frank Boll is dr. Economie (Oxford).

Hij doceerde aan universiteiten in België, de VSA en het VK. Met zijn onderneming Ecofis was hij dertig jaar financieel consultent voor ondernemingen, banken en institutionele beleggers in Europa en het Midden Oosten.