Boeiende gesprekken aan de koffietafel (5) met ‘Gus’ Mombaerts, redactielid ‘De Mohikaan’

De Mohikaan Gust MombaertsIn de reeks Boeiende gesprekken kozen we opnieuw voor iemand met enorm veel terreinervaring over onze voormalige kolonieën: 'Gus' Mombaerts. Update 19/08/2023.

De Mohikaan Gust Mombaerts

Feitelijke "Vriendenkring" van Vlaamse oud-Kolonialen en Missionarissen

 

Gust Mombaerts, oud-koloniaal, vertrok in 1956 na een korte opleiding aan de Koloniale School als kandidaat-Gewestbeambte naar Rwanda, Gewest Kibuye. Deze dienst was belast met de algemene administratie (toezicht op de inlandse burgerlijke administratie, bevolking, belastingen, openbare orde, wegenonderhoud, toezicht op de uitvoering van verplichtingen inzake landbouw, hygiëne, onderwijs).

Een tweede abtstermijn begon op 1 nov 1959, de dag dat in Rwanda de Sociale Revolutie uitbrak, wat zou leiden tot de verdrijving van de traditionele inlandse overheid (die voor meer dan 90% tot de tutsi-etnie behoorde). Vele tutsi-families sloegen op de vlucht en zochten veiligheid in de missieposten; velen trokken ook naar de buurlanden.

Het koloniaal personeelsstatuut werd opgeheven en hij maakte gebruik van deze periode in België om aan de KULeuven een licentie in de (macro)economie te verwerven. In december 1966 kon hij terug dienst nemen in het onafhankelijke Rwanda, maar nu als coöperant-economist in het Ministerie van het Plan. Van daar werd hij in 1971 gemuteerd als Economische Raad naar de diensten van de Presidentie; eerst onder President Kayibanda, en na de staatsgreep van juli'73, onder President Habyarimana. 

Na zijn terugkeer naar België in 1976 was hij actief in het ABOS (Algemeen Bestuur voor de Ontwikkelingssamenwerking) waar hij in 1988 belast werd met de leiding van het kabinet. Later zou hij nog belangrijke functies bekleden in de Food and Agriculture Organization (FAO) bij de World Food Program (WFP) en bij het International Fund for Agricultural Development (IFAD).

Voorwaar, dergelijke cv belooft een interessant gesprek. En ik verzeker de lezers alvast dat het niet over het verleden van de witte mannen zal gaan! 

Pjotr

Laat mij maar meteen beginnen met een persoonlijke vraag: Hoe kijk je zelf terug op deze periode als koloniaal? 

Gust

Op persoonlijk vlak ben ik zeer tevreden over mijn koloniale tijd omdat die buitengewoon boeiend was, en mij een zeer brede ervaring heeft opgeleverd. Het was leven in een totaal andere menselijke omgeving, waar je steeds verrast werd hoe “anders" andere mensen kunnen zijn. Als “reizend" gewestbeambte verbleef ik minstens 20 dagen per maand “en brousse”, zegge in inlands midden, kort bij de inlandse overheid en haar aanpak van de problemen. Ik heb er buitengewoon sterke (maar ook slappe) en (on)bekwame inlandse overheden leren kennen; en het was globaal aangenaam en verrijkend om ermee om te gaan. 

Op maatschappelijk vlak was het in de koloniale tijd de quasi-euforie van de vooruitgang in alle sectoren, zowel infrastructureel en materieel als educatief en medisch; ook sociaal, cultureel en religieus: groei en verbetering alom. Dat bevorderde een sfeer van enthousiasme en geloof in de toekomst. De koloniale periode werd voor de lokale bevolking een tijd van ongekende materiële en geestelijke vooruitgang.  

Ondertussen waren de politieke donderwolken aan het opbollen maar schier geen blanke die er aandacht aan schonk: er waren nog zoveel andere belangrijker dingen te doen. Misrekening! 

Pjotr

De (laatste) Mohikaan als titel van een vriendenkring wijst op het tijdelijk karakter van deze ‘uitstervende’ vriendenkring. Voor de politiek correcte media zijn jullie alvast het verleden; de ‘foute witte’ mensen die geen deel meer uitmaken van hun verheven leefwereld. Is het de bedoeling van jullie vriendenkring om dit beeld te corrigeren of halen jullie de schouders even op?

Gust

De leden van De Mohikaan zijn inderdaad oude mensen die zich vrij-allemaal maatschappelijk miskend weten voor het werk dat zij toenmaals in Afrika hebben gepresteerd. Sommigen blijven daar nogal aan tillen; anderen trekken inderdaad gewoon de schouders op en hebben die bladzijde van hun leven omgedraaid. Allen evenwel, zien met lede ogen toe hoe een wereld van orde, veiligheid, vooruitgang, hoop en blijheid, is verworden tot het tegendeel. Wat hen het meeste grieft is dat de mislukking van de dekolonisering, zich na meer dan zestig jaar nog steeds verder uitdiept; en dat de postkoloniale generaties, niet verder zijn geraakt in hun “woke" analyses, dan de oorzaken van het verval te zoeken in de gedragsnormen en economische structuren die het koloniaal succes nochtans hebben mogelijk gemaakt…

Pjotr

Dat is inderdaad een terecht verwijt.

Nu is er iets heel anders aan de gang: Om het scherp te stellen, de maatschappelijke cohesie en weerbaarheid wordt – en ik hou mij niet in – doelbewust ondermijnd. De wereld is overgenomen door een op machtswellust gedreven geldelite: de plutocratie. Deze plutocratie doet zich voor in twee gedaanten, de oligarchie in ‘democratische’ landen en het staatskapitalisme in totalitaire landen. In de eerste groep (de zwakste), is hun belangrijkste doel het breken van de nationale cohesie via massieve misleiding en angstcreatie. In de andere machtsbehoud, het bestendigen van de persoonlijke machtsuitoefening.  En eerlijk, ik vrees dat de ene plutocratie niet beter is dan de andere. Wat denk jij hierover? Hoe speelde dat in Midden Afrika tot op de dag van vandaag?

Gust

In Afrika hoeft men de bevolking niet proberen te misleiden of beangstigen omdat de dominante dynamiek van politieke machtsverwerving nog steeds tribaal is; slechts in schijn democratisch.  De stammen vormen er onderling coalities om samen onder één naam de macht te verwerven.  

Er zijn echter (in Congo) nieuwe evoluties merkbaar onder de sociologische druk van nieuwe gemeenschappen die zich bovenop de traditionele (tribale) geledingen hebben gevormd. De Kerken en de steden springen hier in het oog; die manifesteren van langsom meer eigen politieke verzuchtingen. Of dit gaat verder evolueren naar een soort oligarchie is m.i. niet waarschijnlijk zolang de tribale reflex overheerst. Eens de machtsstrijd is beslecht speelt die tribale reflex nog volop bij de machtsuitoefening. Daardoor is er gebrek aan wederzijds vertrouwen en bestaat niet eens het concept van “algemeen belang". In een onbedorven tribale wereld bestaat er buiten de eigen leefwereld slechts de wilde natuur.  

 Afrika wordt geleid door dictators die buiten de eigen en bevriende clans aan niemand verantwoording moeten afleggen, maar gewoon aan de kant worden geschoven zodra een sterkere concurrentiële machtsgroep zich aandient. Welstand hangt er af van de toegang tot de openbare machtsstructuren; niet omdat deze zelf rijkdom zouden produceren, maar omdat zij de productieve activiteit kunnen beletten of de vruchten ervan afromen, zelfs afnemen. In dergelijke politieke omgeving is m.i. geen ruimte voor economische machtsstructuren als oligarchieën of plutocratieën. Spottend worden de staatsregimes in de voormalige koloniën wel eens aangeduid als “kleptocratieën"; maar het fenomeen dat hierachter schuilgaat moet wel heel ernstig worden genomen. Scherp gesteld kan men zeggen dat “niet-stelen” (dat is: verzuimen van ”levenskracht” te verwerven voor de eigen stamgenoten) voor tribale opvattingen “immoreel" zou zijn. Dit schept een schizofrene situatie omdat de Westerse kolonisator, voor de supratribale entiteiten die hij heeft gecreëerd, wetboeken heeft uitgeschreven (en achtergelaten) waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt tussen hoe binnen of buiten een clan kan gehandeld worden. Zo ook de voorschriften die het christianiseren meebracht.  

“De moraal zit op de rug van de wilsact!”. Maar “quid?” wanneer er meerdere stelsels op je rug zitten? Heel moeilijk! Uiteindelijk vindt de Afrikaan bij tegenspoed in zijn ontregelde postkoloniale leefwereld, nog het veiligste onderkomen bij zijn stamgenoten. Het is dan ook heel begrijpelijk dat de aldaar heersende moraal voor hem overwegend blijft.  

Pjotr

Ik volg jouw redenering. Meer zelfs, ooit schreef ik dat de grootste uitdaging voor de kolonisten het introduceren van een cultuur van goed bestuur was en dat we daarin niet geslaagd zijn.

Gust

Het “goed bestuur" was zeer duidelijk vastgelegd in de vuistdikke Codes et Lois du Congo Belge; en de koloniale overheid hield er de hand aan. Maar de tribale zeden veranderen is een werk van zéér lange adem; zelfs de inlandse geestelijkheid is er nog niet volledig klaar mee, ondanks haar eigen decaloog. 

Pjotr

Helaas volstond dat blijkbaar niet. Een van de grootste bedreigingen voor Centraal Afrika lijkt mij de toenemende islamisering en de toepassing van de sharia. Nu de Westerse landen het laten afweten hebben Rusland en China vrij spel. Voor onze oud-kolonies die een christelijke achtergrond hebben moet dat geen prettig vooruitzicht zijn? Hoe groot is het gevaar dat de fundamentalistische islam op termijn ook Afrika in zijn greep krijgt?

Gust

Half 19de eeuw stelde Kardinaal Lavigerie reeds vast dat de Islam Afrika aan het inpalmen was. Om dit in te dijken richtte hij een gespecialiseerde organisatie op, de “Missionarissen van Afrika”. De kolonisering werkte samen met de christelijke missionering en heeft de vooruitgang van de Islam zeker afgeremd. Die rem is nu weggenomen, en de lokale Christelijke Kerken zullen m.i., ondanks de levenskracht waarvan ze blijk geven, moeilijk kunnen weerstand bieden tegen de jihad omdat zij, om morele redenen, niet over dezelfde actiemiddelen kunnen beschikken. 

Dat “Rusland en China nu vrij spel hebben" in Afrika heeft het decadente Westen aan zichzelf te wijten; meer bepaald aan zijn arrogante universalistische “verwesteringszucht". Andere volkeren en culturen kan men best nemen zoals ze zijn, voor wie ze zijn én met respect. Chinezen en Russen blijken dat te kunnen. En mij dunkt dat ook volkeren met een islamitische culturele achtergrond geduldig dat respect voor de Afrikaanse gemeenschappen kunnen opbrengen, zodra deze bereid zijn “Allah akbar" te roepen. Het zou nuttig zijn eens een islamoloog te horen over de implicaties van deze kreet, op het vlak van de sociale moraal. Dat zou zeker een vleugje tribalisme bevatten. 

Pjotr

Tijd voor een vraag over een zeer actueel en nijpend probleem, de migratie: In vorige publicaties heb ik steeds aandacht gevraagd voor de negatieve kanten van de migratie, meer bepaald voor de braindrain waardoor de landen van herkomst heel dikwijls hun ‘beste elementen’ het eerst zien vertrekken en die nooit meer terugzien.

Anderzijds wees ons beider goede bekende Serge Desouter op het belang van de financiële bijdragen die deze migranten sturen naar hun familie in de thuislanden. Zonder die steun zouden ze nauwelijks kunnen overleven laat staan hun lot draaglijker maken. Hoe zie jij dat?

Gust  

De geëmigreerde Afrikanen vormen inderdaad een belangrijke bron van inkomen voor de achtergebleven families, mede omdat het loonpeil er zo ontzettend laag is, en de werkloosheid zeer groot. 

Ook betwijfel ik dat die emigratie uit Afrika nadelige gevolgen zou hebben voor de ontwikkeling in de landen van herkomst. Het probleem, althans in het Afrika dat ik beter ken, is eerder het gebrek aan economische vooruitzichten voor universitair gediplomeerden.  

Over de crisissituatie in Rwanda

Als het over oorlog gaat hebben we als Dwarsliggers altijd méér aandacht geschonken aan mensen met terreinervaring. Zeker in crisistijden zoals je meemaakte in Rwanda is de ‘terreinkennis’ uiterst belangrijk. Enkele dwarse vragen.

Pjotr

Hier in België werd geschreven dat eerste minister Wilfried Martens de ‘vader’ was van de in 1993 ondertekende Arusha-akkoorden en hoewel hij dat relativeerde tot ‘één van’, was hij daar nogal fier op. Ik weet ook dat er andere meningen over zijn en zou graag de jouwe kennen. In essentie gaat mijn vraag of deze akkoorden in de praktijk al of niet konden werken. Een gebrek aan terreinkennis?

Gust

De “vredesdynamiek” die men in Arusha heeft willen uittekenen is een schromelijke misrekening geworden, voor zover men inderdaad een echte politieke vrede in Rwanda wou bereiken. Een voorvaderlijke wijsheid aldaar zegt: “Arashak'urupfu, asom'impyisi!" (=Wie de dood zoekt, omhelst de hyena). Dat is precies tot wat Arusha de Regering van Habyarimana verplicht heeft, terwijl men haar in een wurggreep geklemd hield. Zo werd een belaagde democratie vervangen door een moordende tirannie. De uitvoering van de Arusha-akkoorden, onder begeleiding van een US-gedomineerde MINUAR, en de verdere ontwikkelingen in de regio, doen echter vermoeden dat er ab initio reeds Angel-saksische geopolitieke streefdoelen hebben meegespeeld; wat Arusha naast onkundig ook nog dubieus maakt.

Pjotr

In zijn boek “Rwanda mijn verhaal” beschrijft ambassadeur Johan Swinnen heel gedetailleerd de crisissituatie en de rol van diverse ‘protagonisten’. Ook over de deelname van een Belgisch VN-detachement staat er veel te lezen. Aanvankelijk was er geen eensgezindheid over de deelname van Belgische militairen aan de VN operatie MINUAR (Mission des Nations Unies pour l’Assistance au Rwanda). Vanuit de ambassade drong men aan om het Belgisch detachement een belangrijke rol te geven - de veiligheid in de hoofdstad Kigali verzekeren – omdat anders hun rol onvoldoende invloed zou hebben. Na besprekingen werd de sector Kigali toegewezen aan een Belgisch detachement (Zuiden) en aan een VN-vredesmacht (Noorden) uit Bangladesh.

Gust

Het was een VN-vergissing van (tegen de regels in!) een troepenmacht afkomstig van de voormalige Voogdij-verantwoordelijke –in casu België— te laten deel uitmaken van MINUAR. Deze fout zou zich dubbel wreken omdat deze UNO-missie nogal strak via New-York vanuit Washington werd geregisseerd, en de FAR (Forces Armées Rwandaises van Habyarimana) die al decennialang een zeer hechte vertrouwensrelatie hadden opgebouwd met de Belgische Militaire Technische Bijstand, zich nu plots bedrogen voelden door het doen en laten van die “Belgen-met-een- blauwe-pet”. De Belgische Diplomatie, o.l.v. een eigenzinnige socialist, liet blijkbaar begaan.  Samengevat door een Rwandese Generaal: “Le peuple rwandais a été trahi par ceux en qui il avait placé toute sa confiance.” Broederlijkheid sloeg om in vijandige haat…

Pjotr

Daar wil ik nog twee bedenkingen aan toevoegen:

Naast het te beperkte mandaat was er ook de zwakheid van het VN-dispositief in Kigali: het gebrek aan motivatie en vastberadenheid van het Bangladesh detachement. Dat vreesde men vooraf al in ‘Evere’ en er werd gepoogd om een meer geloofwaardige (Europese) partner te overtuigen om deel te nemen. Oostenrijk was één van de aangesproken kandidaten maar bedankte voor het aanbod. De zoektocht was tevergeefs en dat had gevolgen.

De dood van de tien para’s was méér dan een dramatisch verlies. De para’s hadden in Afrika een aureool van onoverwinnelijkheid en dat was nu niet meer het geval. Dit besef leefde onder de para’s en velen, waaronder ook hoger officieren, stonden klaar om met de voltallige Brigade ‘orde op zaken te stellen’. Het zal nooit meer zijn zoals voordien.

Dat de regering Verhofstadt na een parlementaire onderzoekscommissie besliste om géén Belgische troepen meer te sturen naar onze oud-kolonies, viel evenmin in goede aarde bij de para’s die Afrika beschouwen als hún exclusieve operationele inzetzone.

Over naar de volgende vraag. In je antwoord verwijs je naar de rol die ‘Washington’ speelde. Ik las intussen jouw bijdragen over de genocide in Rwanda onder de titel “Afrikaanse puzzel” waarin je het volgende schrijft:

Bij het openvallen van de archieven der Clinton-administratie is ONANA[1]  naar de USA getrokken op zoek naar meer concrete informatie over de Amerikaanse betrokkenheid bij het Rwandese politieke en humanitaire drama. Zijn oogst was blijkbaar belangrijk.

Er blijkt nu geschreven evidentie te bestaan dat de leider van de toenmalige tutsi-rebellen in Rwanda, na het uitbreken van de grootschalige slachtpartijen - officieel aangeduid als “Génocide rwandais" maar door partijdige commentatoren liever “Génocide des Tutsi" genoemd-- de hulp van Washington heeft ingeroepen om via het UNO-hoofdkwartier in New-York, de Blauwhelmen van de MINUAR (Mission des Nations Unies d’Assitance au Rwanda, waar een Belgisch contingent het grootste deel van uitmaakte) opdracht te geven afzijdig te blijven in de afwikkeling van het drama; wat ook gebeurde. Vragen vanwege de bevelhebber op het terrein, en van België en andere landen, om het mandaat adequaat aan te passen, werden niet ingewilligd.

Nog belangrijker is jouw verwijzing naar een ‘groter verhaal’, namelijk dat van de oprichting van een “Empire Hima" dat het huidig Tutsigebied (Uganda, Rwanda en Burundi) zou omvatten, met uitbreiding over Oost-Congo. Dat document, waarvan men titel en inleiding, noch het slot en de naam der opstellers of ondertekenaars kon achterhalen, leek dus weinig geloofwaardig. Tot op het moment dat ONANA in de geraadpleegde Clinton-archieven een nota heeft gevonden van de US-Embassy in Kigali waarin wordt gerapporteerd over dergelijk plan tot oprichting van een groot Tutsi-Hima Rijk in de streek der Afrikaanse Grote Meren. Men kan derhalve vermoeden dat deze grootse strategische droom al vroeg na de rebellen-invasie vanuit Uganda in november 1990, heeft meegespeeld, en sindsdien nooit nog de beschouwde regio verlaten heeft; dat hij zelfs elke zet op het politiek-militaire schaakbord heeft geïnspireerd, tot op vandaag.

Moeten we de ganse berichtgeving over de Rwandese genocide tot op heden niet in vraag stellen, vooral ook het toekijken van het Westen op de gruwel in Oost-Congo,  wanneer we rekening houden met dit geostrategisch doel dat vandaag niet tegengesproken wordt door de feiten?

Gust

Dat de berichtgeving over de “Rwandan Genocide" zeer gebrekkig was, is een feit. Dat de bijsturing of rechtzetting van het gangbare narratief wordt gehinderd, vooral door toedoen van Rwanda en het zwijgen van de toenmalige Westerse protagonisten, is ook een feit. Dit verklaart dat de publieke opinie in Europa, en zeker in België en Frankrijk, de ware toedracht van de conflicten in Rwanda en Oost-Congo niet heeft gevat. Ondertussen zijn die op drie decennia tijd uitgegroeid, ondanks de aanwezigheid van 17000 blauwhelmen, tot een ware holocaust. Toch wel zéér verbazend en bedenkelijk op louter politiek vlak. Dr Onana heeft trouwens in dit onthullend interview de gevolgen voor de Republiek Congo aan de kaak gesteld. 

Zat er ab initio (okt 1990) al een groot geopolitiek plan achter de inval van de FPR-rebellen in Noord-Rwanda? Kon zoiets vermoed worden? Waarom is Martens-VIII er niet in geslaagd het optreden van onze para’s aldaar, na hun eerste drie maanden, te verlengen (strakke weigering van PS-Minister van Defensie) en waarom werd kort daarna, de SP-Minister van BZ een voorstander om dezelfde rebellen effectief aan de macht over Rwanda te helpen, via deelname aan MINUAR? Werden ter zake de betrokken Belgische regeringen al gemanipuleerd door Angelsaksische strategen? Dat zal wel koffiedikkijken blijven; maar het is van langsom klaarder dat er in Oost-Congo geopolitieke verschuivingen aan de gang waren en zijn en een belangrijke migratiedruk aanwezig was. Volksstammen (die men heeft aangeduid als Hamietisch of Nilotiek of Soedanees of Abessijns) waren aan de huidige noord- en noord-Oostgrenzen van Congo (meestal onbevolkt) grondgebied aan het inpalmen. Maar, zoals in Rwanda en Burundi en elders, koloniseerden zij ook gebieden waar reeds Bantoegemeenschappen sedert eeuwen gevestigd waren, en onderwierpen die aan hun streng gezag. De Bantoe-stammen tot in het zuiden van het continent, werden zich hiervan bewust en velen werden erover ongerust.

Op een breder plan is er voor de eigen en Europese toekomst een zorgwekkende evolutie aan de gang m.b.t. Afrika: m.n. dat de algemene belangstelling voor dit continent in de Westerse publieke opinie is weggedeemsterd. Dat is spijtig en gevaarlijk omdat de Afrikaanse politieke etterbuilen regelmatig dicht bij onze deur zullen blijven openspatten. We kunnen ons dus beter goed op de hoogte houden van de koortsaanvallen, en haar oorzaken proberen te kennen. Dat is een verantwoordelijkheid van onze politieke en journalistieke elite. Maar Afrika is weliswaar een moeilijke materie, waaruit men weinig eer kan putten. 

Pjotr

 Op het einde van jouw artikel  ‘Afrikaanse puzzel deel I’ stelde je volgende vraag:

Mocht er onder de lezers iemand zijn die over de afzijdigheid van Minuar bij de slachtpartijen in 1994 elders wat heeft kunnen vernemen, dan zou ik daar met dankbaarheid over geïnformeerd worden.

Daarom heb ik Kolonel Luc Marchal, gewezen commandant van de sector Kigali/MINUAR gevraagd of hij kon antwoorden op uw vraag. Hij liet mij weten dat hij geen precies antwoord kon geven maar dat hij op dezelfde lijn zit als jij. Over die moeilijke zoektocht naar de verantwoordelijken voor de genocide schreef hij enkele jaren terug een artikel onder de titel CONGO-RWANDA : La difficile recherche de la vérité. Het volledig artikel kan u hier lezen

Dat onmiddellijk na de aanslag op president Habyarimana de Belgen werden aangewezen als verantwoordelijken vindt hij wraakroepend. Net zoals het feit dat diegene die de opdracht gaf om de tien para’s te vermoorden gekend is met naam en toenaam, maar toch ongemoeid wordt gelaten.

Na verspreiding van dit artikel via onze nieuwsbrief, ontving ik van Luc Marchal een bijdrage waarbij hij vooral focust op de rol van de VS. Daarin lazen we ondr meer het volgende:

Het was 8 april 1994, rond 09.00 uur in de ochtend. De aanslag op de presidentiële Falcon was amper 36 uur eerder uitgevoerd en David RAWSON, de ambassadeur van de VS, vertelde me dat de Amerikanen Rwanda gingen evacueren. Hij vroeg me hem te begeleiden om de colonne te escorteren. Op dat moment stel ik me voor dat de bestemming van deze colonne het vliegveld Grégoire Kayibanda is, vanwaar de Amerikaanse expats door de lucht geëvacueerd zullen worden... Rond dezelfde tijd de volgende dag vertelde David Rawson me dat zijn colonne gevormd was en klaar was om te vertrekken. ... Ik vroeg hem uit gewetensnood wat hun eindbestemming was. Hij antwoordde: Bujumbura. Echt twijfelachtig, merk ik hem op: Je zult Bujumbura nooit levend bereiken! Waarop hij antwoordt: Maak je geen zorgen, bij het minste probleem staan er 250 Rangers en gevechtshelikopters paraat in Bujumbura, klaar om in te grijpen. ... Ik schrok natuurlijk van dit antwoord. Als militair weet ik maar al te goed dat om op de ochtend van 9 april te kunnen ingrijpen, het detachement in kwestie al voor 6 april, toen de aanslag plaatsvond, ter plaatse zou moeten geweest zijn.

Terwijl hier te lande Luc Marchal op een ronduit onbetamelijk harde manier werd aangepakt tijdens de parlementaire onderzoekscommissie, heeft hij in werkelijkheid mogelijke medeverantwoordelijken voor de genocide een veilige escorte gegeven!

Marchal zijn grote vraag is waarom de internationale gemeenschap niet bereid is om een onderzoek te voeren naar de verantwoordelijken. Hij eindigt zijn bedrage met volgende vragen:

Stelt u eens een stapel van 6 tot 8 miljoen lijken voor. Is het niet tijd om eindelijk recht te doen aan deze miljoenen slachtoffers van de machtswellust van sommigen en de schuldige onverschilligheid van vele anderen?

Is het niet tijd dat degenen die het gebied van de Grote Meren in Afrika en zijn bevolking opzettelijk in chaos hebben gestort (en ook degenen die hen daar houden) eindelijk verantwoording afleggen aan hun slachtoffers, maar ook aan de geschiedenis?

Daarmee sluiten we dit hoofdstuk af en beëindigen meteen ook dit boeiend gesprek met de vraag van 1 miljoen: Hoe zie jij de toekomst van Centraal Afrika en meer bepaald van onze oud-koloniën, Rwanda/Burundi en de Congolese Republiek?

Gust

Persoonlijk heb ik, voor de eerstvolgende generaties, een zeer somber vooruitzicht omtrent heel Sub-Saharaans-Afrika. Omdat de problemen die zich stellen op het politiek en economisch vlak, cultureel gebonden zijn. De gedragsnormen die een cultuur huldigt kan men wel officieel met voorschriften en wetten proberen compatibel te maken met de vereisten van het modern economisch leven, maar zij zullen het concreet gedrag van de burger slechts in schijn richten, zolang de ethische waarden die eraan ten grondslag liggen niet door de hele samenleving gekoesterd worden. Aangezien in de beschouwde regio de tribale gemeenschapsopbouw, ook na zes generaties van modernisering nog stevig overeind blijft, bleef ook voor de doorsnee-burger de wereld buiten de vertrouwde tribale leefruimte (meestal of grotendeels) “amoreel”; lees: vrij van menselijke regels, puur natuur, strijd voor het levensbehoud waar de sterkste en/of sluwste overleeft, en waarover geen verantwoording moet afgelegd worden, tenzij binnen de eigen clan. 

Hoe belangrijk voor de materiële vooruitgang de culturele realiteit is, wordt beeldend uiteengezet in het boeiend boek “Sapiens" van Yoval Noah Harari. Hij maakt het belichte fenomeen onvergetelijk door het te typeren met het gekke zinnetje “Peugeot bestaat niet!”; waarmee hij bedoelt dat de diepe aard, zeker van zo’n enorm complex en groot bedrijf, immaterieel is. En dan legt hij uit hoe de Homo Sapiens (op vele plaatsen) erin is geslaagd de samenleving zó te organiseren, dat honderdduizenden individuele mensen, die elkaar niet kennen, en verspreid leven over de vijf continenten, IN VERTROUWEN kunnen samenwerken, door structuren op te richten die toelaten (in dit geval) bij Peugeot auto’s van de band te laten rollen, die op de vijf continenten rondrijden en onderhouden worden. Dergelijke structuren werden destijds ook in de koloniën uitgebouwd en werkten perfect. Ze bestaan er formeel nog; maar werken er niet meer naar behoren… omdat ze niet door de inheemse cultuur gedragen worden.

Het resultaat staat in geuren en kleuren beschreven in “Kobalt Blues" van Erik Bruyland: de ondergang van de mijnbouwsector in Congo. Voor Rwanda heeft Paul Kagame een eigen remedie gevonden: op sleutelposten heeft hij buitenlanders benoemd (meestal Britten) als effectieve directeurs --een soort van bureaucratische huurlingen-- omdat die geen enkele tribale afhankelijkheid hebben, terwijl ze totaal aan hem horig zijn. 

Wil Afrika voluit aan de moderniteit kunnen deelnemen, dan moet het cultureel nog bergen verzetten. Wanneer zal die klus geklaard zijn? Moet het Westen daarbij helpen? Is dat aangewezen? Zou het dat kunnen? Hoe dan? Geen gemakkelijke vragen! 

Hartelijk dank Gust voor dit ongemeen boeiend gesprek! En zoals Luc Marchal mij schreef: … waarvan ik hoop dat het de ogen van veel lezers zal openen.

Pjotr

 

[1] De West-Afrikaan Charles ONANA, Docteur ès Sciences Politiques, heeft reeds zeer verdienstelijk werk geleverd voor het beter begrip van de onbeschrijflijke geschiedenis die Centraal Afrika heeft meegemaakt sedert de “Rwanda Genocide" in 1994 uitbrak.